Interpretatie

Afkondiging 01/07/2014
Laatste wijziging 01/07/2014

Geïnterpreteerde wetgeving

Type document Koninklijk besluit
Korte omschrijving Tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen
Reglementeringsniveau Federaal
Afkondiging 07-07-1994
Laatste wijziging 07-12-2016
Categorie Algemene reglementering
Van toepassing in
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Vlaams Gewest
  • Waals Gewest
  • Duitstalige Gemeenschap

 

 

Liften bestemd voor personen met beperkte mobiliteit

  • Definitie van een persoon met beperkte mobiliteit (PBM)

“Een persoon heeft beperkte mobiliteit wanneer deze in zijn bewegingen gehinderd wordt door zijn lengte, zijn toestand, zijn leeftijd, zijn permanente of tijdelijke handicap, alsook door apparaten of instrumenten waarop deze persoon beroep moet doen om zich te verplaatsen.” 

 

 NB: vandaag bedraagt het percentage van de bevolking dat beschouwd wordt als beperkte mobiliteit hebbend ongeveer 30%, maar slechts 3% tot 6 % is bij zijn/haar bewegingen beperkt door een handicap. 

  • Liften die gebouwen toegankelijk maken voor personen met beperkte mobiliteit

 

Diverse reglementeringen[1] hebben opgelegd dat er liften geïnstalleerd moeten worden om verschillende/alle niveaus van bepaalde gebouwen toegankelijk te maken voor personen met beperkte mobiliteit:

  • CWATUP – Artikel 415/5;
  • Besluit van 21 november 2006 van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot goedkeuring van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, titel IV;
  • Besluit van 5 juni 2009 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.

Er dient echter te worden vastgesteld dat het opleggen van de verplichting een lift te installeren om de verschillende niveaus van een gebouw gemakkelijk toegankelijk te maken voor personen met beperkte mobiliteit, in principe niet bedoeld is om de veiligheid van deze personen te waarborgen in geval van brand.

Bijgevolg en gelet op de hieronder beschreven middelen om de veiligheid van personen met beperkte mobiliteit te waarborgen in geval van brand, zijn de liften die gebouwen normaal gezien toegankelijk maken voor PBM, niet noodzakelijk liften bestemd voor de evacuatie van PBM in geval van brand. Concreet moeten de liften die gebouwen toegankelijk maken voor PBM, de punten 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.3 van bijlage 2, 2/1, 3, 3/1, 4, 4/1 niet noodzakelijk naleven.

  • Evacuatie van personen met beperkte mobiliteit

Indien personen met beperkte mobiliteit het gebouw kunnen binnengaan, moet hun veiligheid, en in het bijzonder hun evacuatie, in geval van brand verzekerd worden.

Dit staat in rechtstreeks verband met punt 0.1 van bijlagen 2, 2/1, 3, 3/1, 4, 4/1 dat verduidelijkt dat het doel van deze reglementering is de minimumvoorwaarden vast te leggen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van gebouwen moeten voldoen teneinde met name de veiligheid van de personen te verzekeren bij brand.

  •  

    Liften bestemd voor de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit

Indien één of meerdere liften het enige middel zijn om de veiligheid van de personen met beperkte mobiliteit te verzekeren, dan is (zijn) deze lift(-en) verplicht vereist om de personen met beperkte mobiliteit te evacueren en moeten zij in overeenstemming zijn met punt 6.4 (en onderliggende punten) van bijlage 2, 2/1, 3, 3/1, 4, 4/1 (naar gelang van de bijlage die van toepassing is op het desbetreffende gebouw).

Dit gezegd zijnde, kan dit soort van lift bij brand niet volledig autonoom gebruikt worden door één of meerdere personen met beperkte mobiliteit, zoals uitgelegd in de interpretatie van punt 6.1.1.8 van bijlagen 2, 2/1, 3, 3/1, 4, 4/1. De evacuatie via dit soort van lift gebeurt immers onder toezicht van een bevoegde persoon (in principe de brandweerdienst) die het toezicht op de lift overneemt.

PMR%20Evac%20Ascenseur%20PMR.JPG

Niettemin kan de veiligheid van personen met beperkte veiligheid verzekerd worden door andere middelen dan een lift bestemd voor de evacuatie van PBM. Deze middelen worden hieronder vermeld.

  • Andere middelen om de veiligheid van personen met beperkte mobiliteit te verzekeren

Er kunnen alternatieve evacuatiemiddelen voor personen met beperkte mobiliteit geïnstalleerd worden, op voorwaarde dat er vooraf een risicoanalyse uitgevoerd wordt, op de hieronder bepaalde voorwaarden.

Ongeacht de voor de evacuatie van de PBM gekozen oplossing, moet er een evacuatieplan opgesteld worden. Dit plan zal bepalen welke acties er ondernomen moeten worden bij brand, en door wie, en zal ook de specifieke evacuatieprocedure van elke PBM vastleggen.

Indien het aantal PBM niet steeds exact gekend is, dan moet dit redelijkerwijze geraamd worden.[2] Idealiter moet men ervoor zorgen dat de bezoekende PBM in een gebouw zich bekend maken en op de hoogte gesteld worden van de evacuatieprocedure.

Risicoanalyse

De bouwheer voert een risicoanalyse uit om te bepalen of de aanwezige personen met beperkte mobiliteit in geval van brand het gebouw kunnen verlaten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht, waarbij de risico’s op verwondingen of overlijden van deze personen of van de personen die hen komen helpen, beperkt worden.

De risicoanalyse beoogt in het bijzonder de gevallen waarin de traditionele evacuatiemiddelen, zoals trappen, niet gebruikt kunnen worden door de personen met beperkte mobiliteit (dus de 3% tot 6 % waarvan hierboven sprake).

Deze risicoanalyse wordt uitgevoerd voor een bepaald gebouw waarvan het toekomstige gebruik vooraf kan worden geïdentificeerd.

Ze zal toelaten om aan het bouwwerk en aan de bewoners ervan de verplichtingen op te leggen om de veiligheid van de personen met beperkte mobiliteit, evenals die van de andere bewoners te verzekeren.

De risicoanalyse bestaat meer bepaald uit[3] :

    • De identificatie van het brandgevaar in het gebouw en van de mate waarin personen in gevaar gebracht worden, in het bijzonder de personen met beperkte mobiliteit (met name: indeling van de ruimtes, specificiteit van het gebouw, aantal personen, aard van de beperking van hun mobiliteit,…)
    • De evaluatie van de risico’s die specifiek verbonden zijn aan de evacuatie of het in veiligheid brengen van de personen met beperkte mobiliteit in het gebouw (met name: waarschijnlijkheid van de aanwezigheid van PBM, waarschijnlijkheid van een brand,...)
    • De identificatie van preventiemaatregelen bedoeld om de risico’s te vermijden of om de gevolgen ervan te verminderen. Welke middelen of welke oplossing (onder meer van de hieronder beschreven middelen of oplossingen) kunnen voorzien worden?
    • De evaluatie van de preventiemaatregelen en de identificatie van de restrisico’s met betrekking tot deze maatregelen. Welke zijn de risico’s verbonden aan deze maatregelen of deze oplossing? Welke zijn de vermoedelijke scenario’s met welke gevolgen?

Deze risicoanalyse wordt regelmatig herzien, rekening houdend met de feedback en de veranderingen, zowel inzake het brandgevaar als de personen in moeilijkheden, de evolutie van de techniek,…

Er dient te worden opgemerkt dat in een gebouw met één of meerdere arbeidsplaatsen de risicoanalyse met betrekking tot de middelen om de veiligheid van personen met beperkte mobiliteit te verzekeren in geval van brand, integraal deel uitmaakt van de verplicht gemaakte risicoanalyse in de wetgeving betreffende de welzijn op het werk[4].

De volgende oplossingen (niet-limitatieve lijst) kunnen zorgen voor een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan de aanwezigheid van een lift bestemd voor de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit (de volgorde van de onderstaande punten is geen voorkeursvolgorde van de oplossingen):

  • Evacuatie via een gevelopening of een wachtterras

Dit geldt enkel voor lage of middelhoge gebouwen en voor een beperkt aantal personen met beperkte mobiliteit (d.w.z. in een appartementsgebouw, maar niet in een ziekenhuis of in een rusthuis bijvoorbeeld).

De personen met beperkte mobiliteit kunnen zonder via het trappenhuis te moeten passeren, een gevelopening bereiken die toegankelijk is voor de autoladders van de brandweer of bij afwezigheid van een dergelijke toegang, kunnen ze een wachtterras bereiken dat toegankelijk is voor de ladders van de brandweer. Dit terras heeft een voldoende grote oppervlakte, een vloer REI 60 en een gevelelement E 60 of een 1m inspringende reling ten opzichte van de gevel.

Hieronder vindt u drie voorbeelden van evacuatie via een gevelopening met behulp van de leden van de brandweerdiensten.

PMR%20Baie%20facade%20BB.JPGPMR%20balcon%20BB.JPG

PMR%20Balcon%20BM.JPG

Een metalen buitentrap kan enkel overwogen worden indien deze toelaat om gedurende minstens een uur te wachten op hulp en op basis van de resultaten van de risicoanalyse.

  • Horizontale evacuatie

Het betreft een alternatieve evacuatiemethode die vaak toegepast wordt in gebouwen die voortdurend een groot aantal personen met beperkte mobiliteit opvangen (dit wil zeggen, in een ziekenhuis of in een rusthuis bijvoorbeeld), waar de evacuatieprocedures duidelijk bepaald en meegedeeld worden aan de bevoegde personen (dit wil zeggen, het personeel belast met de PBM).

De personen met beperkte mobiliteit kunnen zonder via het trappenhuis te moeten passeren, een aanpalend compartiment bereiken.

Het aanpalende compartiment moet een veilige plaats zijn in de zin van punt 5.8 van bijlage 1: “Veilige plaats: een gedeelte van het gebouw buiten het compartiment waar de brand zich bevindt en van waaruit het gebouw kan verlaten worden zonder door het door de brand getroffen compartiment te moeten gaan.”

Hier ziet u een voorbeeld van horizontale evacuatie in een middelhoog of hoog gebouw:

PMR%20Evac%20horizontale.JPG

De oppervlakte van het als veilige plaats gebruikte compartiment moet voldoende groot zijn om alle PBM die er aanwezig zijn en alle PBM van het te evacueren compartiment op te vangen. Bovendien moet dit compartiment beschikken over een andere uitgang die men kan nemen zonder te moeten passeren via het door de brand getroffen compartiment.

Over het algemeen kan de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit vanaf deze veilige plaats indien nodig gebeuren met de hulp van de leden van de hulpdienst, maar dit aanpalende compartiment is geen plaats waar de PBM achtergelaten kunnen worden tot de komst van de hulpdiensten. Er moeten minstens noodzakelijke maatregelen genomen worden, opdat de aanwezigheid van één of meerdere PBM in het gebouw, in afwachting dat ze geholpen worden bij hun evacuatie, gekend en lokaliseerbaar zou zijn door de hulpverleners.

  •  

    Wachten op hulp in de schuilzones

Deze oplossing geldt enkel voor de lage of middelhoge gebouwen en voor een beperkt aantal personen met beperkte mobiliteit per bouwlaag (dit wil zeggen, in een appartementsgebouw of in een gebouw met bureaus, maar niet in een ziekenhuis of in een rusthuis bijvoorbeeld).

De schuilzones zijn beschermde wachtzones voor de PBM voor korte periodes. Dit gegeven moet in aanmerking genomen worden op het moment van de risicoanalyse: immers, hoewel de evacuatie van personen met beperkte mobiliteit vanuit deze zone indien nodig kan gebeuren met de hulp van de hulpdienst, zijn dit geen zones waar de PBM achtergelaten kunnen worden tot de komst van de hulpdiensten.

De schuilzone moet duidelijk aangegeven worden en voorzien zijn van een gemakkelijk te gebruiken bidirectioneel communicatiesysteem voor de PBM dat toelaat hen gerust te stellen over het feit dat hun aanwezigheid gekend is en om hen te informeren over de evolutie van de situatie en de aan de gang zijnde acties.

Deze schuilzones kunnen zich in een portaal of in een beschermde gang (sas) bevinden met rechtstreekse toegang tot een uitgang of tot een trappenhuis.

Het trappenhuis beschikt over een schuilzone gesitueerd op de overloop of rechtstreeks toegankelijk van op de overloop.

De risicoanalyse zal niettemin rekening houden met het feit dat een PBM die in het trappenhuis wacht, de evacuatie van de bewoners en de interventie van de hulpdiensten hindert, en dat deze PMB in gevaar gebracht kan worden door de rook, met name bij de opening van de deuren door de hulpdiensten.

De som van de oppervlakten van de schuilzones van elke bouwlaag moet voldoende groot zijn om er alle personen met beperkte mobiliteit van deze bouwlaag op te vangen. De minimaal te voorziene afmetingen voor een rolstoel zijn 0,9 m (breedte) x 1,4 m (diepte). Er mag zich nooit een voorwerp bevinden in de schuilzone (een deurvleugel mag niet geopend worden dwars door een schuilzone bijvoorbeeld).

De schuilzone mag de nuttige breedte van de vluchtwegen niet verminderen tot een waarde die lager is dan br.

PMR%20Zone%20refuge.JPG

Ongeacht de conventionele hoogte van het gebouw, moet het trappenhuis met een schuilzone afgescheiden en conform punt 4.2 van bijlage 3 of 3/1 zijn (ook voor de lage gebouwen). Er mag zich geen enkel voorwerp in dit trappenhuis bevinden, noch in de sassen die er toegang toe geven, tenzij detectiemiddelen, draagbare snelblussers, elektrische leidingen, veiligheidsverlichting, signalisatie-, verlichtings-, en verwarmingstoestellen, ontrokingskokers of ontrokingsinrichtingen. Enkel de toegangsdeuren van de evacuatiewegen tot de trappenhuizen zijn toegelaten.

  •  

    Evacuatie met behulp van speciale evacuatiestoelen via de trap

Deze oplossing geldt enkel voor de lage en middelhoge gebouwen van maximum 6 bouwlagen.

Dit systeem kan enkel overwogen worden voor de trappen van het “rechte” type.

Deze oplossing is een evacuatie van de personen met beperkte mobiliteit met behulp van aangepaste vervoerstoelen voor gebruik op trappen.

Deze stoelen vereisen de hulp van aanwezige valide personen om de perso(o)n(en) met beperkte mobiliteit te vervoeren.

Bij een evacuatie van het gebouw legt dit systeem op dat elke persoon met beperkte mobiliteit begeleid moet worden door minstens één valide persoon die een opleiding heeft gevolgd inzake het bedienen van het systeem en die fysiek bekwaam is om binnen een aanvaardbare tijd het evacuatieniveau te bereiken.

Er moet op elk moment een voldoende groot aantal opgeleide personen en stoelen aanwezig/bruikbaar zijn om alle in het gebouw aanwezige personen met beperkte mobiliteit te evacueren.

Concreet is deze oplossing enkel van toepassing op plaatsen waar er zeer weinig en/of occasioneel personen met beperkte mobiliteit zijn, en waar permanent opgeleid personeel aanwezig is bij de perso(o)n(en) met beperkte mobiliteit (dit wil zeggen, in een gebouw met bureaus, maar niet in een appartementsgebouw, in een ziekenhuis of in een rusthuis bijvoorbeeld).

Het gebruik van dit evacuatiesysteem houdt verplicht de regelmatige training van een voldoende groot aantal personen in (bijvoorbeeld een keer per jaar), minstens tijdens elke evacuatieoefening.

Hieronder vindt u een voorbeeld van een speciale evacuatiestoel voor evacuaties via de trap en het gebruik van een dergelijke stoel:

Evac%20chair.jpg

 


[1] Niet-limitatieve en niet-geüpdatete lijst op basis van de evolutie van deze reglementen.

[2] In sommige gevallen, bijvoorbeeld in grootwarenhuizen, kunnen ramingen gemaakt worden op basis van statistieken.

[3] Deze lijst is niet limitatief.

[4] Cf. koninklijk besluit van 28 maart 2014 betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen.

 

Gerelateerde informatie

Gerelateerde interpretaties

Ga naar het overzicht